Hij ging zitten in het midden van de ruimte. De representant van het onderwijsinstituut. Eerst rechtop, toen steeds zwaarder. Tot hij languit op de grond lag, bewegingloos. Zijn ogen naar het plafond, zijn adem rustig, alsof hij geen enkele intentie had om op te staan.
“Wat representeer je eigenlijk? Ben je wel de organisatie? Of misschien iets anders?” vroeg ik nadat we het stagnerende geheel een tijdje hadden aanschouwt.
Een stilte volgde. Toen aarzelend: “Nee ik ben iets anders. Iets abstracts. Zoiets als drijfveren. Denk ik.”
Rondom hem stonden de oprichters —Peter en Esther— en een representant voor de studenten. Esther bewoog zich onrustig. Ze wilde iets doen, iets oplossen, het omhoog hijsen. Maar het lichaam op de grond bleef roerloos.
“Het hoeft niet over mij te gaan”, zei de representant. Toch trok het lichaam alle aandacht.
Peter keek en zakte toen zelf op de grond, ernaast. Hij had duidelijk de sterkste verbinding met dat wat daar lag.
De studenten konden hem misschien tot leven wekken, maar iets hield hen tegen. Was het respect? Ontzag? Of het besef dat dit niet aan hen was?
Wat zich steeds scherper aftekende, was de fixatie op dat wat op de grond lag. Alsof alles in de ruimte zich om dat ene punt draaide. Een organisatie die wilde groeien, uitbreiden, vooruitgaan—en toch trok iets in de onderstroom alles naar beneden. Naar iets waar geen leven in leek te zitten.
We haalden een nieuwe representant binnen. Een vrouw deze keer, levendig en vol energie. Ze straalde levendigheid uit, had energie, een verlangen om te bewegen. Dit was de organisatie zoals ze misschien bedoeld was: dynamisch, krachtig en vol leven. Opvallend genoeg was Peter inmiddels opgestaan. Hij verenigde zich met de rest.
Ik stelde een experiment voor. “Wat als jullie je 180 graden omdraaien? Weg van wat zich op de grond afspeelt, naar de toekomst?” Eerst was er aarzeling, maar toen gebeurde het. Eén voor één draaiden ze zich om. En op dat moment stond ‘de drijfveren’ als vanzelf op. Niet als middelpunt, maar een paar stappen achter het geheel.
Er kwam een rust over het veld. Alsof een collectieve adem werd uitgeblazen. Ik vroeg aan de oprichters, de studenten en de ‘nieuwe organisatie’ hoe het voelde dat de ‘drijfveren’ die eerder al hun aandacht hadden nu nog wel achter ze stond. “Ik ben er niet eens meer mee bezig”, zei de een. “Ik heb amper door dat hij er nog staat”, zei de ander.
Het had nooit om oplossen gedraaid. Niet om forceren of duwen. De enige beweging die nodig was, was een verschuiving van focus naar wat wél stroomt.
En dat was genoeg.
